Spelregels voor het klootschieten van

Vereniging voor Volksvermaak te Vries

 

 

De verkorte versie:

SPELREGELS VOOR HET KLOOTSCHIETEN                                    V.v.V. Vries

 

      1.        Elke ploeg heeft zijn eigen kloot.

      2.        Men gooit in een vaste volgorde.

      3.        Men mag alleen onderhands gooien.

      4.        De ploegleider noteert het aantal worpen.

      5.        De kloot moet eerst de straat raken en mag dan verder rollen.

      6.        De volgende werper begint, waar de vorige de kloot heeft neergegooid.

      7.        Ligt de kloot in het gras, dan mag men weer op de straat beginnen.

      8.        De partij wiens kloot achter ligt, moet altijd eerst gooien.

      9.        Enkele deelnemers lopen een eind vooruit om de kloot in de gaten te houden.

10.        Winnaar is die partij, die met het kleinst aantal worpen het parcours heeft afgelegd.

 


De uitgebreide versie:

Spelregels voor KLOOTSCHIETEN

 

Klootschieten is een gezellige bezigheid, maar ook een sport waar enige risico’s aan verbonden zijn. Deze risico’s kunt u verminderen door de spelregels goed te hanteren.

 

De spelregels zijn als volgt:

-            Men vormt groepen van gelijke aantallen, 3 à 4 personen.

-            Men gebruikt één klootschietbal per groep, en neemt één reservebal mee (voor het geval van verlies of beschadiging).

-            Men neemt per groep één scorekaart en een pen mee.

-            In principe spelen telkens 2 groepen tegen elkaar, over het gehele trajekt. Mocht u bij het vormen van de groepen op een oneven aantal uitkomen, bijv. 9 deelnemers, dan kunt u ook 3 groepen van 3 deelnemers maken, en het traject met alle 3 groepen tesamen spelen.

-            Het traject waarop gespeeld wordt, betreft de verharde weg.

-            In principe is het de bedoeling om met uw groep het trajekt in zo weinig mogelijk worpen af te leggen.

-            Op de scorekaart worden de namen van de deelnemers van de desbetreffende groep genoteerd, en in deze volgorde gooit men ook als het zijn/haar beurt is.

-            Bij de aanvang van het trajekt gooien alle 1ste deelnemers van iedere groep de bal zo ver mogelijk over de weg.

-            De andere leden van de groep lopen vooruit, zodat zij kunnen aangeven waar de bal is blijven liggen, zodat de volgende deelnemers vanuit deze positie verder kan gooien. Het vooruitlopen heeft tevens als funktie dat men de bal in het oog houdt als deze van de verharde weg in de berm of sloot raakt. Indien dit gebeurt, zoekt men de bal op en legt deze aan de kant van de weg (in de berm). De volgende speler kan gewoon weer vanaf dat punt via de verharde weg gooien.

-            Voordat iemand de bal gooit, moet er duidelijk een harde kreet worden gegeven, zodat de medespelers niet in gevaar komen. Men roept altijd: “Daar komt ie!”.

-            Zodra iemand heeft gegooid, wordt op de scorelijst een ‘turf’ gezet. De scorelijst wordt door één persoon van de groep bijgehouden.

-            Men moet altijd met de bal eerst de verharde weg raken. Indien de bal eerst de berm raakt, wordt er wel geturfd, maar moet de volgende speler weer dezelfde uitgangspositie innemen.

-            Op de scorekaart kan tevens de score van de tegenpartij worden bijgehouden.

-            Nadat ALLE EERSTE spelers van de groepen gegooid hebben, gooit de volgende speler van de groep die het MINST ver gegooid heeft weer als eerste. M.a.w. het is dus zaak verder te gooien dan de tegenpartij.

-            Indien de bal na een worp op de verharde weg blijft liggen, moet deze daar blijven liggen.

-            Na afloop wordt de score van iedere groep opgeteld. De groep met het minst aantal worpen is winnaar.

 

U loopt altijd voor eigen risico ….

Let goed op, de ballen zijn hard!